je vis - ik leef-woon, vivre - leven-wonen, elle refuse - zij weigert, refuser - weigeren, elle mange - zij eet, manger - eten, tu gardes - jij bewaart, garder - bewaren-houden, j'essaie - ik probeer, essayer - proberen-passen, le boulot - het werk, la cause - de oorzaak, l'endroit - de plek, le bébé - de baby, l'école - de school, la confiance - het vertrouwen, la vue - het uitzicht, le bureau - het kantoor-bureau, celui-celle-ceux-celles - die-degene(n), tellement - zo erg, bientôt - binnenkort, parfois - soms, surtout - vooral, au cours de - in de loop van, dur - zwaar-moeilijk,

Formidable marche 14 FIX

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?