1) Je hebt € 10,00. Je wilt boodschappen doen. Wat kun je kopen? a) tomaten € 2,10, kaas, € 4,90 en vlees € 3,00 b) tomaten € 2,10, melk € 1,65, vlees € 3,00 en kaas € 4,90 2) Je hebt boodschappen gedaan. Je moet € 8,45 betalen. Je geeft € 10,00. Hoeveel geld krijg je terug? a) € 1,65 b) € 1,55 c) € 2,65 d) € 2,55 3) Je hebt € 5,00. Je wilt voor jezelf en je twee kinderen ijs kopen. Één bolletje ijs kost € 0,50. Hoeveel bolletjes ijs kunnen jullie alle drie krijgen? a) 1 bolletje b) 2 bolletjes c) 3 bolletjes d) 4 bolletjes 4) Bij de bakker kost de taart normaal € 6,50, maar vandaag krijg je 10% korting op de taart. Bij de supermarkt kost de taart € 5,75. Waar is de taart goedkoper? a) bij de bakker b) bij de supermarkt 5) Waar zijn de sinaasappels het goedkoopst? a) 1 kilo sinaasappels € 3,49 b) 3 kilo sinaasappels € 9,99 c) 2 kilo sinaasappels € 7,25 6) Één kopje koffie kost € 3,45, twee kopjes koffie kosten € 6,80. Hoeveel korting krijg je bij twee kopjes koffie? a) 0 cent b) 5 cent c) 10 cent d) 20 cent 7) 1 kilo kaas kost € 8,89. Hoeveel kost dan 5 kilo kaas? a) € 44,45 b) € 88,90 c) € 44,50 d) € 45,44 8) Dit weekend krijg je drie pakken wasmiddel voor € 21,60. Hoeveel betaal je dan voor één pak wasmiddel? a) € 10,80 b) € 5,40 c) € 7,20 d) € 6,60 9) 0,5 liter melk kost € 0,67. Hoeveel kost dan 1 liter melk? a) € 1,34 b) € 1,24 c) € 1,37 d) € 1,31 10) 0,5 liter melk kost € 0,79, 1 liter melk kost € 1,44. Hoeveel goedkoper is 1 liter melk? a) 2 cent b) 3 cent c) 4 cent d) 5 cent 11) Je hebt € 50,00, maar je wilt graag een briefje van € 20,00. Je gaat naar de kassa en de caissiere wisselt de € 50,00. Wat krijg je? a) drie briefjes van € 20,00 en één briefje van € 10,00 b) één briefje van € 20,00 en drie briefjes van € 10,00 c) twee briefjes van € 20,00 en één briefje van € 5,00 d) één briefje van € 20,00 en twee briefjes van € 10,00 en één briefje van € 5,00 12) Je moet € 3,95 betalen. Je geeft een briefje van € 20,00. De cassière geeft je € 15,65 terug. Heeft ze je genoeg terug gegeven? a) ja b) nee, ze moet nog € 0,40 geven. c) nee, ze moet nog € 045 geven. d) nee, ze moet nog € 0,50 geven. 13) Je hebt twaalf lege blikjes. Op elk blikje zit € 0,15 statiegeld. Je brengt de blikjes naar de automaat. Hoeveel geld krijg je voor de blikjes? a) € 1,80 b) € 1,65 c) € 1,70 d) € 1,75 14) Je koopt brood voor € 1,10, melk voor € 0,95 en jam voor € 2,35. De cassiére zegt dat je € 3,30 moet betalen. Wat is de cassière vergeten? a) het brood b) de melk c) de jam 15) Je krijgt zegeltjes bij de kassa. Voor elke euro aan boodschappen, krijg je één zegeltje. Je hebt voor € 23,65 boodschappen gedaan. Hoeveel zegeltjes krijg je? a) 22 b) 23 c) 24 d) 25
0%
Geld 04
Share
Share
Share
by
Saskiadaanje
Vanaf 8 jaar
Rekenen
Edit Content
Print
Embed
More
Assignments
Leaderboard
Show more
Show less
This leaderboard is currently private. Click
Share
to make it public.
This leaderboard has been disabled by the resource owner.
This leaderboard is disabled as your options are different to the resource owner.
Revert Options
Quiz
is an open-ended template. It does not generate scores for a leaderboard.
Log in required
Visual style
Fonts
Subscription required
Options
Switch template
Show all
More formats will appear as you play the activity.
Open results
Copy link
QR code
Delete
Continue editing:
?