1) Maak een zin in het perfectum (hebben/zijn + voltooid deelwoord). 2) Stel een vraag met 'waarom' of 'hoe'. 3) Gebruik ‘om...te’ in je zin. ➡️ Bijv.: Ik ga naar school om Nederlands te leren. 4) Maak een zin met ‘omdat’ of 'als' 5) Maak zinnen met tijd (vandaag, morgen, gisteren) 6) Maak zinnen met 'daarom', 'misschien', 'helaas' 7) Maak een zin met ‘moeten’, ‘willen’ of ‘kunnen’. 8) Gebruik een scheidbaar werkwoord in de tegenwoordige tijd of perfectum. ➡️ Bijv.: Hij maakt de deur open. 9) Maak een zin met een vergelijking. (kleiner, mooier, duurder) 10) Gebruik één adjectief (bijvoeglijk naamwoord)➡️ Bijv.: Het is een mooie dag. 11) Gebruik 'en', 'maar', 'want', 'dus', 'of'

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?