1) Maak een zin in de tegenwoordige tijd. 2) Gebruik ‘er is’ of ‘er zijn’ in je zin. 3) Maak een zin met een onderwerp, werkwoord en de rest 4) Stel een vraag met 'wie', 'wat', ‘waar’, 'wanneer', 'hoeveel' 5) Gebruik een plaats in je zin (bijv. in de keuken, op straat) 6) Maak een zin met ‘niet’ of 'geen'. 7) Maak een zin met een meervoud (meer dan één ding of persoon). 8) Gebruik een getal in je zin.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?