1) Een afspraak om 13:45 in Amsterdam. (eerder) 2) Geen tijd op vrijdag. (een andere dag) 3) Leuk! (tijd?) 4) Zeker... (waar?) 5) Op vrijdagmiddag heb ik les. (in de ochtend) 6) Ik moet om 14:30 mijn kind ophalen. (eerder) 7) Wat een leuk idee! (tijd?) 8) Gezellig! (waar?) 9) Ik werk op vrijdag! (een andere dag) 10) Mijn dochter is op vrijdag jarig! (volgende week) 11) Op vrijdag komt mijn familie op bezoek (zaterdag) 12) Leuk idee! Zullen we met Sunil gaan? (waar?) 13) Op zaterdag heb ik een toets. Ik moet studeren. (volgende week) 14) Ja, zeker! (tijd?)

Spreken - Afspreken A1-

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?