1) We hebben het koud, want het ... staat open. a) raam b) huis c) station d) formulier 2) Ik ga naar school ... ik ga naar de supermarkt. a) want b) en c) dus d) maar 3) Waar ga je ... ? a) school b) naartoe c) gemeentehuis d) dichtbij 4) Mag ik u iets vragen? a) Ja, natuurlijk. b) Ja, bedankt. c) Ja, alstublieft. d) Ja, u moet linksaf. 5) De HEMA is aan de ... a) linkerkant b) links c) linksaf d) tegenover 6) Wat betekent: "mam"? a) vader b) dochter c) moeder d) zoon 7) Sorry, ik kan niet komen. Ik heb ... a) de excuses b) helaas c) griep d) de verhuizing 8) De docent werkt ... a) naar school b) op school c) met de school 9) Je moet ...! Je moet hier linksaf. a) vertrekken b) aankomen c) winkelen d) opletten 10) Ik wil een broodje kopen, ... ik heb geen geld. a) en b) maar c) want d) of 11) Omar is te laat, want de trein heeft ... a) vertraging b) laat c) ongeluk d) een tijdje 12) Je moet daarna ... rechtdoor. a) gelukkig b) normaal c) een tijdje d) volgende 13) Je gaat niet meteen rechts, maar de ... straat rechts. a) tweede b) tegenover c) terug d) rechtdoor 14) Wat betekent: "eventueel"? a) soms b) misschien c) meestal d) vaak 15) De auto ... op de straat. a) rijden b) rijd c) rijdt

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?