monarchie (de) - Nederland is een ......., inwoner(s) (de) - Nederland heeft bijna 17 miljoen ...., regering (de) - De ..... zit in Den Haag., verkiezing(en) (de) - Elke vier jaar zijn er ....... voor de Tweede Kamer., grondwet (de) - In de ...... staat dat alle mensen gelijk zijn., verplicht - Het is niet ..... om te gaan stemmen., meerderheid (de) - 60% heeft vóór gestemd. Dit is de ....., leger (het) - In Oekraïne moeten alle mannen tussen de 18 en 60 jaar in het .... , vijand (de) - Rusland is de ..... van Oekraïne., volkslied (het) - Bij iedere EK-voetbalwedstrijd zingen we het ....., burgemeester (de) - De ..... is het hoofd van een gemeente., recht(en) (het) - Mannen en vrouwen hebben in Nederland gelijke ....., recht (hebben op)  - Alle werknemers hebben ...... op vakantie., voor - De PvdA stemde ....... het wetsvoorstel., onderhandelen - De leveranciers ..... met de supermarkten over de prijs., minderheid (de) - Maar 20%, dus een kleine .... stemde tegen. ,

Inburgering A2 les 20 De politiek

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?