1) Je gaat eten bij een vriendin. Haar ouders komen ook. Wat kun je het beste zeggen? a) Je zegt jij, want je zegt ook jij tegen je vriendin. b) Je zegt niets. c) Je zegt u, want dat is beleefd. 2) Je zit onderweg in de trein naar je vriend. De trein heeft vertraging. Wat kun je het beste doen? a) Je vriend bellen en zeggen dat je later komt. b) Niets, je komt gewoon later. c) Je gaat naar huis. 3) De muziek van je buren staat hard. Je hebt er last van. Wat kun je het beste doen? a) Je gaat naar de buren en vraagt: "Willen jullie de muziek zachter zetten?" b) Je belt meteen de politie. c) Je zet jouw muziek ook heel hard. 4) Je gaat tomaten op de markt kopen. Jij bent aan de beurt, maar iemand anders gaat eerst. Wat kun je het beste zeggen? a) Jij bent niet aan de beurt. b) Sorry, maar ik ben aan de beurt. c) U moet op uw beurt wachten. 5) Je geeft een feest en er komen veel mensen. Het feest duurt tot 2 uur 's nachts. De buren hebben misschien last van het lawaai. Wat kun je het beste doen? a) Niets, de buren maken ook vaak lawaai. b) Je stuurt de politie een brief over het feest. c) Je stuurt de buren een briefje over het feest. 6) Wat zijn Nederlandse gewoonten? a) Zeggen wat je denkt. Rond 18.00 uur avondeten. Praten over het weer. b) Naar iemand toegaan zonder afspraak. Praten over het weer. Rond 18.00 uur avondeten. c) Te laat komen. Rond 18.00 uur avondeten. Praten over het weer. d) Iemand één kus op de wang geven. Zeggen wat je denkt. Te laat komen.  7) Je geeft een cadeau. Wanneer pakken Nederlanders het cadeau uit? a) Aan het eind van het feest b) Meteen als ze het krijgen. c) Als iedereen weg is.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?