afhangen van - Het hangt van je toets af, of je door gaat naar de volgende klas., afmaken - je moet de oefening helemaal afmaken., de afspraak - Iets wat je afspreekt. Je moet je houden aan je afspraak., de baan - Het werk dat je doet voor geld. Ik heb een leuke baan., bepalen - Vaststellen. De uitslag van je toets, bepaalt of je door kan., bewaren - Niet weggooien. Je moet je diploma goed bewaren., de bijbaan - Werk dat je doet, naast je schoolwerk. Pizzakoerier is een leuke bijbaan., de boerderij - Huis en werkplek van de boer. Op de boerderij wonen mensen en dieren., brutoloon - Geld dat je krijgt voor je werk. Er moet nog belasting vanaf., daarnaast - Ook nog. Hij gaat naar school, daarnaast werkt hij als koerier., dikwijls - Vaak. Die jongen is dikwijls ziek., duur - Niet goedkoop. Een grote auto is heel duur., het formulier - Een vragenblad om in te vullen. Als je een huis wilt, moet je veel formulieren invullen., gaan - In beweging komen. Wij gaan naar het zwembad., gelijk - Hetzelfde als. Alle mensen hebben gelijke rechten., genoeg - Niet te weinig. Er was gelukkig genoeg te eten., gunstig - Positief, fijn. Het weer was gunstig voor een wandeling., heerlijk - Heel lekker. Het eten was heerlijk. Het was heerlijk weer., de hekel - Als je iets heel vervelend vindt, heb je er een hekel aan., hoeven - Niet verplicht. Dat hoef je niet te doen., de hoogte - Hoe hoog het is. De hoogte van de school is 20 meter., Het inkomen - Het salaris. Het geld dat je verdient met je werk., de kosten - het geld dat je uitgeeft. Wat het kost. De kosten van het feest bedragen 750 euro., kwijt - Niet meer in je bezit. Ik ben mijn pen kwijt., lenen - Tijdelijk krijgen. Als je iets leent, moet je het weer terug geven., de loonbelasting - De belasting die je betaalt over het geld dat je verdient., het nettoloon - Je loon, nadat je belasting betaald hebt., officieel - Volgens de regels, zoals het hoort. Officieel moet je hiervoor vrij vragen., openbaar - Voor iedereen. Dat is een openbare bibliotheek., de overheid - De regering, de ambtenaren die werken voor de regering., het overzicht - Een duidelijke samenvatting. De docent maakte een overzicht van de lesstof., het pasje - Klein plastic kaartje met gegevens. Je hebt een pasje van school of van de bank., de pinautomaat - Automaat waar je met een pasje geld uit kan halen., de pincode - persoonlijk identificatie nummer. Je geheime code van je bankpasje., pinnen - Geld halen uit een pinautomaat. Betalen met een pinpasje., plukken - Iets ergens afhalen. Ik pluk een bloem., verstandig - Als je beslist volgens je verstand. , uitgeven - Betalen. Hij geeft veel uit aan de kapper., verliezen - Kwijtraken. Hij verliest veel geld aan gokken, dat is niet verstandig., verplicht - Het moet. Het is verplicht om naar school te gaan.,

16 DISK thema 16 geld en werk

by

Leaderboard

Flash cards is an open-ended template. It does not generate scores for a leaderboard.

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?