Ik draag een zwarte jas., De man betaalt bij de kassa., De buren hebben twee kinderen., De juf werkt op school., Ik smeer boter op het brood., Ik ga morgen naar de huisarts., De bus stopt bij de bushalte., De auto rijdt sneller dan de fiets., De kast staat naast het bed., Ik doe het etui open en ik pak een pen., Ik zit in het weekend thuis., Op welke dagen ga je naar school?, Waarom heb je een kam nodig?, Ik open het raam want het is warm., Ik heb een afspraak bij de huisarts., De kapstok hangt aan de muur., De tafel staat in de hoek., Welke kleur vind je mooi?, Hoeveel broers en zussen heb je?, In welk seizoen ben je jarig?,

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?