1) Ik heb .... tijd. a) niet b) geen 2) Mijn zus komt morgen ..... a) niet b) geen 3) Ik ga morgen ..... naar school. a) niet b) geen 4) De docent woont ..... in Amersfoort. a) niet b) geen 5) Ik drink ..... melk. a) niet b) geen 6) De bus gaat ..... naar het station. a) niet b) geen 7) Ik kan morgen ..... komen. a) niet b) geen 8) Ik kan de kinderen vandaag ..... ophalen. a) niet b) geen 9) Ik heb ..... broers. a) niet b) geen 10) Ik zie mijn sleutel ..... a) niet b) geen 11) Zij houdt ... van dansen. a) geen b) niet 12) In Nederland zijn ... bergen. a) geen b) niet

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?