1) Ik ...... (werken) bij een supermarkt. a) wer b) wek c) werk 2) Hij ...... (lopen) op straat. a) loop b) loopt c) lopt 3) Jij ..... (schrijven) een brief. a) schrijft b) schrijven c) Schrijvt 4) Jij ..... (liggen) tot 7 uur in bed. a) ligt b) liggt c) liegt 5) Ik ..... (fietsen) snel naar huis. a) fietst b) fietsen c) fiets 6) Zij ...... (kopen) een broodje. a) kopt b) koopt c) koop 7) Ik ben ziek en ik ..... (Blijven) vandaag thuis. a) blijv b) blijf c) blijven 8) Hij doet nooit iets, hij .....(zitten) de hele dag op de bank. a) zit b) zitt c) zitten 9) Hij ....... (lezen) veel boeken? a) lest b) leest c) leezt 10) Ik ...... (gaan) morgen naar huis. a) gaan b) ga c) gaa

1. Spelling werkwoorden (Beginners)

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?