hoofdletter (de) - Het eerste woord van een zin begint met een ....., lesrooster (het) - Op het ....... staan de tijden van de lessen., onderwijs (het) - Ze werkt in het ..... . Ze geeft les aan kinderen., middelbare school (de) - Mijn zoontje zit in groep 8 van de basisschool. Volgend jaar gaat hij naar de ...., cursist (de) - Iemand die een cursus volgt, noem je een ..., woordenboek (het) - Weet je niet wat het woord betekent. Zoek het dan op in een ....., samenwerken - Op school zitten de leerlingen in groepjes. Zo kunnen ze makkelijk ....., afwezig - De directeur is vandaag niet op school. Hij is ...., makkelijk - De toets was erg ..... . Ik had alle vragen goed., gesprek (het) - Ik heb na de les een .... met mijn docent over de lessen., leerlingen (de leerling, de leerlingen) - In deze klas zitten 30 ....., oplossing (de) - Sorry, ik weet ook geen .... voor je probleem., juf (de) - Mijn kinderen hebben les van ..... Anna., meester (de) - Mijn kinderen hebben les van ...... Peter., oefenen - Als je goed wilt leren golfen, moet je veel .....,

Inburgering A2 les 2 De school

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?