Ik ......... naar huis. (lopen) - loop, Mijn moeder ......... taart. (bakken) - bakt, Tom ......... op school. (zijn) - is, Wij ......... 3 kinderen. (hebben) - hebben, Jij ......... niet goed. (luisteren) - luistert, Hij ......... vanavond sporten. (willen) - wil, Ik ......... mijn naam. (zeggen) - zeg, De buurman ......... goed Nederlands. (spreken) - spreekt, De kinderen ......... naar school. (lopen) - lopen, Jullie ......... veel koffie. (drinken) - drinken, Maria ......... goed auto rijden. (kunnen) - kan, Lia ......... haar telefoon. (pakken) - pakt, ......... jij in Nederland? (wonen) - Woon, Mijn man ......... Engels. (leren) - leert, Ik ......... naar mijn werk. (fietsen) - fiets, Jij ......... hier 50 kilometer per uur rijden. (mogen) - mag, Hij ......... mijn broer. (zijn) - is, U ......... een auto. (hebben) - hebt / heeft, Ricardo ......... "gum". (spellen) - spelt, Jij .......... het niet goed. (begrijpen) - begrijpt, Ik ......... elke dag soep. (maken) - maak, Ik ......... ziek. (zijn) - ben, De pen ......... op de grond. (vallen) - valt, De docent ......... om half 9. (komen) - komt, Wij ......... vaak. (lachen) - lachen, Hanna ......... haar vriendin. (bellen) - belt, Jij ......... te laat. (zijn) - bent, Zij ......... Lisa en Tim. (zijn) - zijn, Ik ......... een dochter. (hebben) - heb, Wij ......... Nederlands. (leren) - leren,
0%
Werkwoorden A1
Share
Share
Share
by
Sandramroseck
Edit Content
Print
Embed
More
Assignments
Leaderboard
Flip tiles
is an open-ended template. It does not generate scores for a leaderboard.
Log in required
Visual style
Fonts
Subscription required
Options
Switch template
Show all
More formats will appear as you play the activity.
Open results
Copy link
QR code
Delete
Continue editing:
?