1) beginnen a) zijn gegaan b) zijn begonnen c) hebben betaald d) zijn geworden 2) begrijpen a) hebben begrepen b) hebben gegeven c) hebben gedacht d) zijn gebleven 3) betalen a) hebben gedacht b) hebben gehad c) hebben betaald d) zijn begonnen 4) blijven a) hebben gedronken b) hebben gedacht c) zijn gebleven d) zijn gegaan 5) brengen a) hebben begrepen b) hebben gegeten c) hebben gebracht d) zijn geworden 6) denken a) hebben gedacht b) hebben gegeten c) hebben betaald d) zijn gegaan 7) doen a) hebben betaald b) hebben gegeven c) hebben gedaan d) zijn gegaan 8) drinken a) hebben gegeten b) hebben gehoord c) hebben gedacht d) hebben gedronken 9) eten a) hebben gegeten b) hebben gebracht c) hebben gehad d) zijn gegaan 10) gaan a) zijn gegaan b) hebben gedaan c) zijn geweest d) hebben gehad 11) geven a) hebben gegeven b) hebben gedacht c) hebben begrepen d) hebben gehad 12) hebben a) hebben gehoord b) hebben gedaan c) hebben betaald d) hebben gehad 13) horen a) hebben betaald b) hebben gedronken c) hebben gehoord d) zijn geweest 14) zijn a) hebben gegeven b) zijn geweest c) hebben begrepen d) hebben gehoord 15) worden a) zijn geworden b) zijn gegaan c) zijn gebleven d) zijn geweest

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?