fiets - Ik ga altijd met de .............. naar mijn werk., fietsenmaker - Mijn fiets is kapot, ik moet naar de ................., inderdaad - Het zijn .................. oude banden, duidelijk - Dat is inderdaad wel ....................., lijkt - Mijn fiets ................ wel total loss. , gebeurd - Wat is er ........................?, gevallen - Ik ben ......................., glad - Het was een beetje ....................., mankeerde - Ik ....................... zelf niets., scheef - Het stuur en het zadel staan ......................., verstaan - Sorry, ik heb u niet..................., betekent - Wat .................... dat?, bedoelt - Wat ................. u?, Koningsdag - 27 april, overmorgen - De dag na morgen, ophalen - U kunt uw fiets overmorgen weer ........., nieuw - Ik maak uw fiets weer als ........................., controleren - Ik zal uw fiets helemaal ..........................., feestdag - Koningsdag is een ....................., tiptop - Ik maak hem weer .................... in orde,

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?