Ik begin vandaag. - Ik ben vandaag begonnen., Je staat vroeg op. - Je bent vroeg opgestaan., Ze drinken een biertje. - Ze hebben een biertje gedronken., Hij zit op de bank. - Hij heeft op de bank gezeten., Wat doen jullie? - Wat hebben jullie gedaan?, Hij vergeet alles. - Hij is alles vergeten., Ik ga naar mijn werk. - Ik ben naar mijn werk gegaan., U eet weinig. - U hebt/heeft weinig gegeten., We kopen een nieuw huis. - Wij hebben een nieuw huis gekocht., U leest de krant. - U hebt/heeft de krant gelezen., Ze verslapen zich. - Ze hebben zich verslapen., Ik blijf iets langer. - Ik ben iets langer gebleven., Ik heb een boek. - Ik heb een boek gehad., We zijn te vroeg.  - We zijn te vroeg geweest., Ze koken samen. - Ze hebben samen gekookt., Hij doucht kort. - Hij heeft kort gedoucht., We fietsen naar de mensa. - We zijn naar de mensa gefietst., Jullie kledenje aan. - Jullie hebben je aangekleed., We aaien een olifant.  - Wij hebben een olifant geaaid., Juliie maken het huis schoon. - Jullie hebben het huis schoongemaakt., Je woont in een studentenhuis. - Je hebt in een studentenhuis gewoond., Ze praten over het weer. - Zij hebben over het weer gepraat., U proeft de andijviestamppot. - U hebt/heeft de andijviestamppot geproefd., Jullie reizen vaak. - Jullie hebben vaak gereisd., Ze studeren in Antwerpen. - Ze hebben in Antwerpen gestudeerd., Ze antwoorden op tijd. - Ze hebben op tijd geantwoord., Jullie luisteren goed. - Jullie hebben goed geluisterd., Ik verhuis naar Utrecht. - Ik ben naar Utrecht verhuisd., We bellen even. - We hebben even gebeld., Ze gaat slapen. - Ze is gaan slapen.,

04 perfectum - zwak, sterk & onregelmatig

Leaderboard

Flash cards is an open-ended template. It does not generate scores for a leaderboard.

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?