1) was, waren a) zijn b) lezen c) luisteren d) zien 2) werd, werden a) slapen b) gaan c) zien d) worden 3) had, hadden a) rijden b) zeggen c) zijn d) hebben 4) ging, gingen a) gaan b) lopen c) zitten d) zijn 5) kwam, kwamen a) komen b) gaan c) lezen d) staan 6) liep, liepen a) betalen b) lopen c) zeggen d) zitten 7) reed, reden a) rijden b) worden c) slapen d) staan 8) stond, stonden a) hebben b) staan c) gaan d) horen 9) zat, zaten a) kijken b) komen c) slapen d) zitten 10) zei, zeiden a) rijden b) lezen c) kopen d) zeggen 11) sliep, sliepen a) slapen b) rijden c) hebben d) werken 12) luisterde, luisterden a) luisteren b) kijken c) gaan d) schrijven 13) hoorde, hoorden a) horen b) rijden c) zitten d) worden 14) schreef, schreven a) schrijven b) betalen c) luisteren d) zien 15) werkte, werkten a) horen b) hebben c) werken d) luisteren 16) las, lazen a) slapen b) horen c) hebben d) lezen 17) zag, zagen a) zien b) gaan c) schrijven d) lezen 18) keek, keken a) slapen b) lezen c) zitten d) kijken 19) kocht, kochten a) koken b) betalen c) slapen d) kopen 20) betaalden a) zeggen b) betalen c) staan d) kopen

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?