1. De les begint ____ 9.00 's ochtends. 2. Wij hebben les ____ maandag en woensdag. 3. Ik ga ____ het weekend sporten. 4. Ik lunch ____ de middag. Ik eet brood met kaas en een kop soep. 5. De winkel is elke dag open ____ 9.00 tot 18.00 uur. 6. De winkel is open van maandag ____ zaterdag. Op zondag is de winkel gesloten. 7. De winkel is open van maandag ____ zaterdag. Op zaterdag is de winkel gesloten. 1. Ik ga ____ het weekend sporten. 2. Zij gaat ____ maandag boodschappen doen. 3. Wij gaan volgende week ____ Amsterdam. 4. De man komt ____ Bangladesh. 5. Mijn zoon gaat ____ de bus naar school. 6. Mijn werk begint ____ 9 uur 's ochtends. 7. Het is nu maandag. ____ twee dagen is het woensdag. 8. Mijn dochter werkt ____ een supermarkt. 9. Mijn dochter werkt ____ een aardige man. 10. Zij werkt ____ de kassa.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?