1. ____ de hoek. 2. ____ de rechterkant. 3. ____ aan het einde ____ de straat. 4. U gaat ____ links. 5. U steekt hier de straat ____ 6. U moet wachten ____ het rode stoplicht 7. De supermarkt is ____ de tweede straat rechts 8. Ik woon vlak ____ een supermarkt 1. U gaat ____ de brug 2. ____ de rotonde neemt u de tweede ____slag. 3. Ik ga altijd ____ de auto naar mijn werk 4. U gaat hier recht____. 5. Ik woon ____ een rustige straat. 6. De supermarkt is ____ van de straat. 7. Het reisbureau is ____ de linkerkant. 8. De bakker is op nr. 18 en de slager op nr. 19. De bakker zit dus ____ de slager. 9. Aan de overkant ____ de straat staat een rode auto. 10. Ik ga meestal met de bus ____ school. 1. De kerk staat op een groot ____ van 10x10 meter. 2. Je moet wachten als de ____ op rood staan. 3. De kinderen lopen op de ____. 4. Een ander woord voor "aan de andere kant van de straat" is "aan de ____." 5. Je loopt rechtdoor ____ de straat. 6. Ik woon ____ de Raamstraat en de Stationsweg. 7. Bij de derde straat ga je links____. 8. Huisnummer 8 is aan je linker____. 9. U rijdt rond over de ____ en u neemt de derde ____. 10. Als je straat moet ____, loop je over het ____. DE BIBLIOTHEEK Alice - Goedemorgen mevrouw, mag ik u iets vragen? Weet u ook waar de bibliotheek is? Vrouw - Natuurlijk. U gaat hier ____, tot aan het ____ van de straat. Daar gaat u de tweede ____ linksaf. De bibliotheek is ____ uw linkerhand, ____ de hoek ____ de supermarkt. Alice - Dank u wel. Vrouw - Geen dank DE SUPERMARKT Jan - Goedemorgen meneer. Mag ik u ____ vragen? Is hier ook een supermarkt ____ de buurt? Meneer - Jazeker wel. U ____ hier de straat over en gaat dan naar links ____ aan de stoplichten. ____ de stoplichten gaat u rechtsaf. U loopt ____ en gaat ____ de brug en aan uw linkerhand ziet u dan een kleine supermarkt. Jan - Dank u wel. Is het ____? Meneer - Nee hoor, het is ongeveer 5 minuten lopen. Jan - Dank u wel.

Leaderboard

Visual style

Options

Switch template

Continue editing: ?